Vakinhoud| Data| Tips & Tricks| Oude Examens| Begrippen|

Biologie begrippen

Hieronder volgen enkele biologische begrippen, met hun betekenis en toelichting.

Kruising

Vaak zal je een vraag over kruisingen moeten beantwoorden. Hierbij wordt gekeken hoe ouders genen (erfelijke eigenschappen) doorgeven aan hun kinderen. Genen komen bij veel soorten paarsgewijs voor. Allelen zijn twee van deze genen die voor dezelfde eigenschap coderen, bijvoorbeeld voor de kleur van een bloem.

Er zijn verschillende vormen van kruisingen. De veel voorkomende monohybride dominantrecessieve vorm wordt hieronder aan de hand van een voorbeeld behandeld.

Voorbeeld

We kijken naar een bepaald gen voor, bijvoorbeeld de kleur van een bloem. Hierbij noemen we het dominante allel A (rood) en het recessieve allel a (wit). Bij een genotype AA of Aa is de bloem dus rood en bij aa is de bloem wit.

Als we twee heterozygote ouders hebben, betekent dat bij allebei de twee allelen ongelijk zijn, hun genotype is dan Aa en ze hebben beide dus een rode bloem

Vervolgens maken we het kruisdiagram als volgt, in de bovenste rij staan de twee allelen van de vader, in de eerste kolom staan de twee allelen van de moeder:

In het kruisdiagram is te zien dat de kinderen 3 verschillende genotypen hebben: AA, 2x Aa en aa. Er zijn echter maar 2 fenotypen: 3 van de 4 bloemen zijn rood (AA en Aa) en 1 van de vier is wit (aa).

De kans op een rode bloem is dus 3/4 en op een witte bloem is dit 1/4. 

Evolutie

Evolutie gaat over de verandering van soorten en ontstaat uit verscheidenheid binnen een populatie (groep organisme van één soort). Binnen een groep hebben individuen een ander genotypen en fenotypen, door toevallige mutaties veranderen die constant en er kunnen zo nieuwe eigenschappen ontstaan.

Als een deel van de groep afgezonderd raakt kan het in de loop der tijd steeds meer gaan verschillen van de oorspronkelijke populatie en uiteindelijk kan er zo een nieuwe soort gevormd worden.

Natuurlijke selectie is een van de mechanisme waarmee evolutie werkt: individuen die beter zijn aangepast aan de omgeving hebben een grotere overlevingskans. Zij zullen dus meer nakomelingen krijgen waardoor de desbetreffende eigenschap vaker zal voorkomen in de populatie. Uiteindelijk kan zo ook een nieuwe soort ontstaan.

Zenuwcellen

Zenuwcellen hebben in het lichaam de belangrijke functie om signalen door te geven. Ze bestaan uit een cellichaam met daarin de kern en een aantal uitlopers.

Deze uitlopers geleiden de impulsen, als de zijn ingepakt met een myelineschede (cellen met vet) gaat de impulsgeleiding vele malen sneller. Aan het einde van de uitlopers zitten synaptische knoopjes die contact maken met de andere zenuwcellen. Er zijn drie soorten zenuwcellen:

  1. Sensorische cellen geleiden impulsen naar het lichaam toe, ze hebben daarvoor een lange dendriet (uitloper die naar het lichaam gaat) en meerdere korte axonen die van het lichaam afgaan.
  2. Schakelcellen hebben veel korte dendrieten en axonen, deze hebben een stimulerende of remmende werking op andere zenuwcellen. Deze schakelcellen vormen een netwerk met andere schakelcellen en sensorische en motorische zenuwcellen.
  3. Motorische cellen hebben meerdere korte dendrieten die verbonden zijn met andere zenuwcellen en één lange axon die naar een spier gaat.

Biodata hoofdstuk 14 en Binas tabel 88 kan je veel informatie vinden over de bouw en werking van zenuwcellen.

Zoeken

Partners


Inschrijven

Laatste plekken

    Feedback
    Suggesties, vragen of ergernis?